Hoop na de sloop

De beruchte Doomsday Clock staat sinds begin dit jaar op 2 minuten voor 12. Nooiteerder in de afgelopen 58 jaar waren we dichter bij de apocalyps van kernwapens en klimaatverandering dan nu. Hoog tijd voor een stukje vrolijkheid bij de naderende eindtijd.

Eerder schreef ik in 7 dingen die eigenlijk best goed gaan met de wereld al dat een hoop dingen beter gaan dan we denken. De kindersterfte is enorm gedaald, steeds meer mensen hebben schoon drinkwater en genoeg te eten, de armoede blijft maar afnemen, we worden minder gewelddadig en meer democratisch. Maar alsje naar de Doomsday Clock kijkt, zou je heel andere ideeën krijgen.

Op zich logisch. Het ding heet niet voor niets Doomsday Clock. Het is een klok voor wat slecht gaat, niet voor wat er goed gaat.

Wereldwijde ramp

De Doomsday Clock geeft sinds 1947 aan hoe dicht de mensheid zich bij een door de mens zelf veroorzaakte wereldwijde ramp zou bevinden. Tot 2007 was het de dreiging van nucleaire vernietiging die de stand van de wijzers bepaalde. Maar in 2006 kwam Al Gores film An Inconvenient Truth uit en sindsdien speelt ook de klimaatverandering met de wijzers van de klok.


Doomsday Clock. Bron: Wikipedia.

Op momenten als deze is het geruststellend om terug te denken aan de vorige keren dat we met z’n allen de boel hebben gesloopt. En hoe we telkens weer op ingenieuze wijze onze eigen kortzichtigheid wisten te overwinnen. Als voorbeeld nemen we een klein, dapper volkje aan de rand van de Noordzee.

Waar zijn de bomen?

Laten we beginnen met de naam Holland. Dat betekent van origine ‘bebost terrein’. Kijk maar eens om je heen als je er bent. Geen bomen. Die hebben we namelijk gekapt in onze zucht naar brandstof. Een kleine apocalyps op lokale schaal, maar toch. Vervolgens zijn we maar turf gaan steken. Zo ontstonden al die kenmerkende meren, vaak nog herkenbaar aan de smalle stroken land waar de gestoken turf te drogen werd gelegd:


Natuurgebied Nieuwkoopse Plassen. Bron:
Wikipedia.

Toen was ook de turf op. Weer een apocalyps. Maar we hadden wel mooie meren om te vissen en vervoer over water was bovendien handiger en veiliger dan over land. Er groeide ook veel riet, waardoor een hele industrie rond rietdekken ontstond. Toen er steeds minder vraag kwam naar rieten producten, stierf die industrie grotendeels uit. En de rietdekkersdorpjes?
Die werden herboren als toeristenfuik, natuur- of watersportgebied. Giethoorn, bijvoorbeeld.

Kaasje?

Op sommige plekken werd het wat al te gortig met die meren. Bijvoorbeeld tussen Haarlem en Leiden werd steeds meer land weggeslagen. Hele dorpen verdwenen in de golven. Toen zijn we die meren maar gaan droogleggen. Het resultaat: dat polderlandschap waar we nu zo trots op zijn. Die grote groene grasmat vol grazende koeien die de wereld van Goudse kaas voorziet.
We hadden bovendien meteen alle ruimte om een enorme luchthaven en later talloze Vinex-wijken neer te plempen. En wederom wisten we een nakende apocalyps af te wenden.

Op andere plekken ontstonden door onze zucht naar brandstof heidevelden en zandverstuivingen. Op die vernietigde landschappen lieten we schapen grazen. Dat zorgde ervoor dat die gebieden nooit konden herstellen. Nu vinden we dat mooi en houden we zowel het landschap als de onrendabele schapenkuddes in stand. Paar fietspaden erdoorheen en de binnenslandse toerist kan zijn hart ophalen.

Wat ik wil zeggen: die klok heeft al tig keer eerder op twee voor twaalf gestaan. Met Giethoorn als gelukzalig gevolg.

Ik bedoel maar.

Remy
Copywriter. Speelt de verwoorde onschuld.

Pantry-agressie in Comic Sans

Pantry-agressie is een veelvoorkomend fenomeen op kantoor. De agressie gaat over het aanrecht, de koelkast, de koffieautomaat en het servies. Want wee je gebeente als je de mok met het plaatje van drie wolven die naar de maan huilen gebruikt voor je ondrinkbare automaat-cappuccino. Die mok is niet van jou. Die mok is van Wilma ‘Howling Wolf’ Verploege en het is haar liefste bezit.

Als je je fout doorhebt is het al te laat. Je probeert nog je handen om de mok te vouwen om de afbeelding te verbergen als je haar ziet zoeken in het kastje, maar je bent al gesnapt. Als een briesende stier komt ze de pantry uit. Jij bent de rode lap. ‘Wie heeft gezegd dat jij mijn mok mag gebruiken!? Je bent zeker nieuw hier?’

Je werkt er al 7 jaar.

‘Nou ik zal je even inlichten.’ Een beetje spuug landt op je toetsenbord en je denkt nog ‘dat moet ik straks wel even wegvegen’. ‘Dit is mijn mok. MIJN mok. Mag ik alsjeblieft één keer in mijn leven iets voor mijzelf hebben?’ Wilma grist de mok uit je verkrampte vingers, een scheut slootwater belandt op je witte blouse en je belooft jezelf voor de honderdste keer een andere werkomgeving te zoeken. Of een eigen mok te kopen.

Een ander voorbeeld van pantry-agressie zijn passief-agressieve A4’tjes boven de gootsteen die je in Comic Sans toeschreeuwen: ‘Ruim je eigen rotzooi op want de kabouters doen het niet.’ En waarom doen die kabouters dat niet dan? Waar zijn ze anders goed voor, behalve het ontsieren van voortuinen met hun puntmutsen en hengeltjes? Of deze: ‘De afwasmachine is die grote witte machine linksonder. Niet die grote witte man genaamd Fred.’

Wanneer je de koelkast opent wemelt het van de post-its op de verschillende tupperwarebakjes met halfvergane etensresten: ‘Heet jij Wilma? Nee? Afblijven!’ of ‘Was het lekker? Ik hoop dat je nu ook griep krijgt.’

Aangeslagen door zoveel negativiteit besluit je ook een briefje te printen voor op de koelkast. Voor de lieve vrede en een betere wereld.

‘De inhoud van de pizzadoos is voor iedereen. Het stuk met de grote jalapeñopeper is voor Wilma.’

Bij de eerste toetsaanslag merk je dat je vinger een beetje blijft plakken aan de D. Toch vergeten weg te vegen.

Nyree. Woordklunstenaar.