Blij in de rij

Sale. Opruiming. Bodemprijzen. We zijn er gek op. Januari is dé maand om je slag te slaan en dat doen we dan ook massaal. In de winkelgebieden zie je shoppers met oververhitte gezichten zeulen met tassen vol afgeprijsde artikelen die vast nog weleens van pas komen. De pakketbezorger bij mij in de buurt heeft het zo druk dat hij de pakjes voor de hele straat bij één adres over de schutting kiepert.

Korting maakt iets in ons los. Het is onweerstaanbaar. Nieuwe spullen maken ons blij, en als iets in de aanbieding is, is het geluksgevoel nog groter: we hebben immers een goede deal gesloten. Neem nou de beruchte Dwaze Dagen van de Bijenkorf. Die bestaan inmiddels niet meer, want de Bijenkorf vindt dat het concept niet meer bij hun imago past. En ik snap dat wel hoor. Het was chaos. Je moest over een behoorlijke dosis vechtlust, overlevingsdrang en uithoudingsvermogen beschikken om je door die draaideur te wringen, je in het strijdgewoel te storten en die afgeprijsde Birkin-bag te veroveren.

Ondernemers maken gretig gebruik van die oerinstincten. Geef een goede korting en de klanten komen in zwermen naar je zaak. Vorig jaar had Haagse patatboer Bram Ladage een kortingsactie ter ere van hun 50-jarig bestaan: een zak patat kostte tussen 13.00 en 16.00 uur 50 cent. Ik ging, beroepshalve, kijken of de actie publiek trok. Dat deed het. Enorme rijen. Alsof er kaartjes werden verkocht voor nu echt het aller-allerlaatste concert van de Rolling Stones. Mensen stonden een uur in de rij voor 2 euro korting op een zak patat. Er stond een jongen met een grote, niet erg goedkope hamburger. Die had hij even verderop door zijn vriendin laten halen omdat hij zo’n honger had. ‘Maar waarom dan niet daar gelijk een patatje? Dan hoef je niet in de rij.’ ‘Ja, maar dit is goedkoper.’ Tsja. Geen speld tussen te krijgen.

Nog een mooi voorbeeld: Flying Tiger, je weet wel, die winkel met al die leuke scanditroepjes. Zij hadden een actie waarbij ALLES een hele dag lang 1 euro kostte. Hierbij viel de stunt van Bram Ladage volledig in het niet. Koopjesjagers stonden niet minder dan vier uur in de rij. De winkel stond zo vol dat de massa als een kudde slome schapen schuifelend langs de schappen werd gevoerd, van ver voor de entree tot aan de kassa. Een mevrouw liet manlief haar lunch brengen, die vervolgens vanaf de entree werd doorgegeven naar de hongerige dame die na twee uur schuifelen ergens halverwege de winkel was. Solidariteit was er ook: mensen hielden elkaars plek bezet als de plas echt niet opgehouden kon worden. Dat is toch mooi? De uitverkoop verandert winkels in oorlogsgebied, maar kan ook verbroederen.

Het jachtinstinct is nog altijd aanwezig in de mens: we willen die prooi vangen als we een goede deal denken te zien. Want wat is nou eigenlijk het verschil tussen het doden van een wolharige mammoet en het voor de poorten van de hel wegslepen van een spotgoedkope flatscreen-tv op Black Friday?

Na zo’n dag worstelwinkelen is het een verademing om met je volle zakken neer te strijken in een gezellige horecagelegenheid. Ik weet er wel eentje zonder omroepers en banners die je toeschreeuwen dat je iets moet kopen wat je eigenlijk niet nodig hebt. Waar je vrij bent. Vrij om de koffie en de bagel te nemen die je zélf het allerlekkerst vindt.

Nyree. Woordklunstenaar.