Miss Fortune

Soms zit het tegen. Je hebt niets om aan te trekken, het regent, de kat heeft in de gang gekotst en de juf van je dochter heeft gevraagd of je hulpouder wil zijn op de creatieve ochtend. Je belt je moeder om te klagen over al je ongeluk en in al haar wijsheid zegt ze: ‘Denk dan aan de dingen die wél goed gaan, die keren dat je geluk had! Haal dat terug en geniet met terugwerkende kracht.’ Moeders hebben altijd gelijk, dus je gaat direct aan de slag.

Maar wat is geluk? De staatsloterij winnen? Dat hoort bij het geluk dat je nooit gaat krijgen, maar waar je wel van droomt. Overigens ben ik niet helemaal ongelukkig in loterijen: twee keer won ik een blik soep en een Unoxworst bij de Postcodeloterij.

Ik ben geen zondagskind. Mijn geluk is meer van het soort dat komt bij ongeluk. Dat er een vogel op mij heeft gekakt. Maar niet in mijn gezicht, op mijn jas. En die is gelukkig afneembaar.

Is dat wel geluk? Of is het gewoon iets minder pech? En wat is geluk dan? Van Dale zegt:

Dat aangename gevoel ken ik wel. Maar ik ben dus met minder pech al gelukkig. Het is natuurlijk heel relatief: je kunt het zien als doffe ellende dat je kind chocolademuntjes in de gleuf van de Playstation stopt. Maar dan gebeurt het. Bij het schudden en peuteren om ze eruit te krijgen, valt een puzzelstukje in je schoot. Dat ene verdwenen rotstukje, uit de puzzel van 5000 stukjes die je vorig jaar tijdens de kerstdagen maakte. Waar je een allesoverheersend gevoel van ‘alles was voor niets’ aan overhield. Nu valt eindelijk alles op zijn plek. Dat is geluk, vind ik. Ook al moet je nu die 4999 overige stukjes er weer allemaal omheen leggen.

Laatst wilden de kinderen na het eten een ijsje uit de vriezer. Ik wist dat er nog twee waren, maar het waren twee verschillende. Ik voorzag oorlog. Wie schetst mijn verbazing toen ze beiden gelukkig waren met wat ze kregen? Ik kon wel janken. Van geluk.

Is dat gek? Zo blij kunnen zijn met ogenschijnlijk onbeduidende dingen? Misschien ben ik gewoon nog niet zo verwend op geluksgebied. Misschien is het gewoon een manier van overleven in een wereld vol ongeluk.

Door het denken aan klein geluk overleef ik de regen, de kots in de gang en het chronisch tekort aan geschikte kleding. Maar om het hulpouderschap op de creatieve ochtend te kunnen relativeren, moet ik toch echt de staatsloterij winnen.

Nyree. Woordklunstenaar. 

We moeten het hebben over trapondersteuning

Veel liever ben ik de vrolijke frans. De rasoptimist. Oplossingen in plaats van problemen. Halfvol, niet halfleeg. Uitdagingen, geen tegenslagen. Geloof me, ik wil helemaal niet ‘die persoon’ zijn. Maar iemand moet het doen.

Ik zit op de fiets en beland in zo’n fuik van drie fietsers in slakkengang, gezusterlijk keuvelend naast elkaar. Eerst een blik over mijn linkerschouder, even wachten op de tegenligger, en ik zet mijn inhaalmanoeuvre in. Uit het niets word ik vanachteren geschampt. In het voorbijgaan bijt de vrouw me toe dat ik moet uitkijken. Ik ben verbijsterd, want niet meer dan twee, hooguit drie seconden eerder was het fietspad achter mij nog compleet verlaten.

Waar was ze toen ik over mijn schouder keek? En hoe kan deze vrouw van middelbare leeftijd mij, ogenschijnlijk zonder enige fysieke inspanning, zo snel voorbijfietsen?

Dat was mijn eerste aanraking met trapondersteuning. Sindsdien ben ik er gewend aan geraakt dat senioren mij fluitend voorbijfietsen terwijl ik voorovergebogen op de pedalen stoemp en mijn tong tussen de spaken hangt. Het voelt iedere keer weer als valsspelen, maar ik ben niet volkomen zonder begrip. Ouden van dagen hebben toch min of meer het recht verworven zich er wat gemakkelijker van af te maken. Zo hebben we dat geleerd, je staat in het ov ook op voor een bejaarde.

Maar toen zag ik mensen van mijn eigen leeftijd (die ik hier wijselijk onvermeld laat) geëlektrificeerd over ’s lands fietspaden suizen. Wat gaat er in zo iemand om? Je brengt je leven voorovergebogen achter beeldschermen en onderuitgezakt op banken door, je gaat je welvaartslichaam te lijf met zumba, poweryoga, bootcamp of loopband, maar dat beetje broodnodige beweging dat je lichaam op de fiets krijgt is een brug te ver. Koop dan meteen een rollator.

En nu zie je dus steeds meer pubers met trapondersteuning. Pubers. Met trapondersteuning. Kennelijk denken ouders: die arme bloedjes liggen al de hele dag in hun nest te meuren, en dat non-stop online zijn is ook al zo fysiek uitputtend, het is onmenselijk om te verlangen dat ze zichzelf voortbewegen.

We hadden al de patatgeneratie en de achterbankgeneratie. We zijn nu getuige van het ontstaan van een nieuwe generatie: de degeneratie. Want wie z’n spieren niet gebruikt, raakt ze kwijt. En dan volgt de geest in rap tempo. Voor je het weet zijn we willoze puddinkjes die in zelfsturende stoeltjes worden rondgereden, een beetje zoals in de animatiefilm WALL-E.

Tenzij er iemand aan de fietsbel trekt.

Remy
Copywriter. Speelt de verwoorde onschuld.

Kruisje, kruisje, DRIEHOEK!

Ik ben gamer. Echt hardcore. En dan geen Candy Crush, maar mmo’s (massive multiplayer online) en keihard koppen knallen. Ik vind dat bevrijdend.

Je begeeft je in een andere wereld, met eigen regels. Jarenlang speelde ik World of Warcraft. Ik zat in een ‘guild’ en dat was echt meer dan gamers die samen dingen kapotschieten. We waren een vriendengroep met leden over de hele wereld. We hadden zelfs een forum waar we buiten gametijd allerlei dingen op postten. Van de beste specs voor je ingame karakter tot persoonlijke drama’s. We leefden met elkaar mee.

Het is een gek idee. Je loopt met zijn allen, dat wil zeggen met een groep getekende poppetjes, in een virtuele wereld. Virtueel dichtbij. Fysiek ver. Je hoort iemands leven door je koptelefoon: een moeder die dreigt dat ze de stekker eruit trekt want het eten wordt koud. Lieve woordjes tegen een gevallen kind. Een zeurende vrouw. ‘Alleen deze boss nog schat, ik kom er zo aan!’ ‘Dat zeg je al een uur.’ Gevloek, getier, maar ook de gezamenlijke vreugde als eindelijk, eindelijk die eindbaas is verslagen waar de guild al drie weken stuk op gaat. Liefdes ontstaan en huwelijken gaan kapot. En jij bent erbij.

In onze guild zat ook een stel uit Israël, ze woonden in Tel Aviv. Midden in een missie riepen ze ineens ‘got to go, bomb alarm!’ We hoorden twee dagen niets van onze guildleader en zijn vrouw. Toen ze zich tot onze grote opluchting weer meldden bleek dat de raketaanval een stroomstoring had veroorzaakt. Zij waren er koel onder. Voor hen was dit niet de eerste keer en ze hadden leren leven met de constante dreiging. Op ons maakte dit meer indruk dan de berichtgeving in de media.

World of Warcraft heeft me veel tijd gekost (die ik toen nog had), maar ook vriendschappen en aparte ervaringen opgeleverd. Ik wil daarom mijn achtjarige dochter aan het gamen krijgen. Goed voor de oog-handcoördinatie en sociale skills ook. Bovendien valt er veel geld mee te verdienen als je heel goed bent. Met een vriendinnetje probeert ze FIFA op de Playstation. Mijn man staat achter ze en geeft aanwijzingen: ‘Kruisje! Kruisje! DRIEHOEK! Nu vierkant, nee rondje. RONDJE!’

Steeds nerveuzer drukken de meisjes alle knopjes tegelijk in. Rode koontjes en paniek in hun ogen. Plots klinkt er gejuich. Ze hebben gescoord! High fives en hoge gilletjes. Mijn man komt naar me toe en zegt: ‘Ik had het hart niet ze te vertellen dat het in eigen doel was.’

Opvoeden betekent voortdurend je verwachtingen bijstellen. Volgende keer proberen we Pong.

Nyree. Woordklunstenaar.