Met wie zou je ruilen?

Er is een leuk experiment dat aantoont hoe arm of rijk je bent. Het is een gedachte-experiment, dus je hoeft er niets voor te doen. Behalve een beetje fantasievol nadenken dan. Het is doodsimpel. Je kunt het alleen doen, met vrienden of familie. Thuis, in de trein, bij de barbecue, onder de douche, tijdens het kerstdiner. Ben je er klaar voor? Mooi, daar gaan we.

Zou je Richard Leeuwenhart willen zijn?

Hij was koning van Engeland en hertog van zowel Aquitanië als Normandië in Frankrijk. Richard I nam deel aan de Derde Kruistocht en vocht volop mee in de voorste linies. Een staaltje dapperheid waarvoor hij de bijnaam Leeuwenhart kreeg.

In de middeleeuwen was je als koning nog echt een koning, geen lintjesknipper. Jouw wil was wet. En alles was voor Bassie. Dan nu de vraag: stel dat je zou kunnen kiezen. Zou je dan liever de een van ’s werelds meest legendarische koningen willen zijn, of ben je liever jezelf?

Voordat je antwoordt, eerst nog even dit. Richard werd tijdens een schermutseling geraakt door een pijl. Tetanusprik, jodium erop en klaar, zou je zeggen. Maar dat bestond toen nog niet. Toen de boel ging zweren, was er geen antibiotica tegen de ontsteking. Opereren dan maar? Amputeren zul je bedoelen. Dat deden ze met een zaag. Zonder verdoving. En van ontsmetten had ook nog nooit iemand gehoord.

Alleen was Richard in z’n schouder geraakt. Die kun je niet amputeren. Na een paar weken vol helse pijnen overleed de machtige koning aan koudvuur.

Dus wat zou je kiezen? Koning Richard I of jezelf?

Oké, volgende.

Zou je Catharina de Grote willen zijn?

Tsarina Catharina werd opperbazin van Rusland toen ze haar man, die toen net zeven maanden tsaar was, afzette. Een paar dagen later stierf hij onder verdachte omstandigheden. De minnaar van Catharina wist er waarschijnlijk meer van.

Daar stond Catharina trouwens om bekend, minnaars. Sommige zelfs wel veertig jaar jonger. Als ze een minnaar zat was, mocht hij ophoepelen naar een landgoed ergens ver weg. Dat hij dan wel cadeau kreeg. Catharina was namelijk schathemeltje rijk: een whopping 5,4 procent van alle rijkdom op aarde.

Met die rijkdom propte ze de Hermitage vol met doeken van Rembrandt, Frans Hals, Jan Steen, Rubens en andere beroemde schilders. Dus, als je zou kunnen kiezen… Catharina of toch maar jezelf?

Voor je antwoord geeft, een beetje context. De paleizen hadden destijds geen toiletten. Poepen deed je op een stoel met een gat erin en een pot eronder. Midden in de woonkamer, of achter een gordijntje. Wc-papier? Dat werd pas in 1890 uitgevonden. Stromend water voor een douche of bad om jezelf een beetje schoon te houden? Voor persoonlijke hygiëne was überhaupt weinig animo. Voor stevige parfums des te meer.

Zou je J.D. Rockefeller willen zijn?

Oliemagnaat Rockefeller is niet de rijkste Amerikaan aller tijden, dat was staalmagnaat Andrew Carnegie. Maar met een vermogen van 341 miljard dollar deed de eigenaar van Standard Oil niet heel veel onder voor de 372 miljard van de grondlegger van U.S. Steel.

Zou je de op een na rijkste Amerikaan aller tijden willen zijn? Penicilline werd tegen het einde van Rockefellers leven gangbaar. En naast stromend water, toiletten en wc-papier waren inmiddels de gloeilamp, de trein, de auto, het vliegtuig, de koelkast, de telefoon, radio en televisie en nog meer van die nieuwigheden uitgevonden.

Maar een leven à la Rockefeller betekent ook: geen computers, internet, e-mail, Google, social media, YouTube, smartphone, nummerherkenning, reisplanner, online banking, pinpassen, file-informatie, stuurbekrachtiging, parkeerhulp, flatscreen, Netflix, gameconsoles, Spotify, Beats by Dre enzovoort.

Dus, wat wordt het?

Eerlijk zeggen: kun jij al die moderne gemakken, van penicilline en wc-papier tot je smartphone, opgeven om een van de rijkste mensen ter wereld te zijn in een tijd die veel armer was dan de onze? Want met al hun macht en rijkdom hadden koning Richard I, tsarina Catharina en oliebaron Rockefeller niet wat de meeste mensen tegenwoordig vrij gemakkelijk kunnen bekostigen.

Of kies je er toch voor om jezelf te zijn in plaats van een van deze rijke stinkerds? Zo ja, dan ben jij toch echt degene die in weelde leeft. Niet zij.

En dat is best een fijne gedachte.

Remy
Copywriter. Speelt de verwoorde onschuld.

De vloek van Arnie Alberts

Het is zo’n twee maanden geleden, zeg ik tegen de spiegel. Drie centimeter eraf dus, concludeert hij en laat me met zijn vingers zien hoeveel dat is. We begrijpen elkaar, stel ik opgelucht vast. Hij pakt z’n schaar. Ongeveer een half uur later zal ik overwegen om zijn ogen ermee uit te steken.

Je bestelt een vegetarische salade en je krijgt een bak vette patat met een frikandel. Terugsturen? Kan niet. Je móet het opeten. En na afloop uitspugen is al helemaal geen optie. Dat is ongeveer hoe een bezoek aan de kapper voor mij altijd voelde. Het gevolg van een wrede speling van het lot: de boosaardige slag in mijn haar die ieder niet-opgeschoren kapsel verandert in een coupe ‘Arnie Alberts’. Inderdaad, met de iconische flapjes aan de zijkant.

Tot vijftien jaar geleden zat ik na afloop van ieder kappersbezoek met de handen in het haar. Toen ontmoette ik mijn huidige kapper, die anoniem zal blijven. Deze vaardige en sympathieke man wist de Goede tijden-spoilers te kortwieken. Het ging niet altijd goed: een fractie te veel eraf en Arnie sloeg zijn ondeugende vleugeltjes uit. De rigoureuze remedie die dan nog restte was uitroeien met wortel en al. Waarna een guitig kort koppie me verbijsterd aanstaarde in de spiegel.

In een haast perfecte symbiose, en eigenlijk zonder het ooit hardop uit te spreken, kwamen we in de loop van die vijftien jaar uit op een ‘redelijk alternatief’: lang haar, eigenlijk te lang voor een volwassen man, en op één lengte. Hoe lang? Een collega riep me weleens ‘Pam, je haar danst’ na. Mijn krachtige Samsonlokken drukten ieder verzet hardhandig de kop in en Arnie liet zich niet meer zien.

Zo wachtte ik vorige week woensdag op mijn beurt, krant in de hand en espresso om de tijd te doden. Sinds een half jaar heeft mijn kapper een tweede kapper in dienst genomen. En het was deze jongeman die mij vroeg plaats te nemen op de kappersstoel. Even speelde ik met het idee om mijn beurt af te staan en te wachten tot de Arnie-temmer vrij was om mij te knippen. Maar dat leek me flauw. Daarbij: één lengte, paar centimeter eraf, hoe moeilijk kan het zijn?

De jongeman pakte het anders aan dan mijn oude vertrouwde kapper, dus het duurde even voordat ik doorkreeg welk drama zich op mijn hoofd afspeelde. Waar hij aan de onderkant slechts millimeters had verwijderd, werd de haarlengte ter plaatse van het Arnie-offensief letterlijk gehalveerd. Samson was in één schaarslag zijn kracht kwijt. De Arnie-infanterie stond klaar voor de aanval en slechts een haastige aftocht kon een grootschalig wapentreffen voorkomen.

Ik stelde daarom geschrokken voor om het verder maar te laten voor wat het was, en het alleen onderaan nog wat korter te knippen. Geen probleem, verzekerde hij me. En stortte zich prompt in het strijdgewoel aan de zijkanten van mijn hoofd. Daar strekte Arnie zijn vleugeltjes al uit. Vleugeltjes die zich in rap tempo vermenigvuldigden. Binnen enkele knipbewegingen was mijn gehele haardos een slagveld van Arnie-flapjes. Aan de zijkanten, in m’n nek en zelfs op mijn kruin: overal vochten ze om aandacht.

De strijd was verloren.

Mijn oog viel op zijn schaar en ik overwoog kort of deze deceptie een gevangenisstraf waard was. Maar nee, het groeit altijd weer aan. De vernedering is slechts van tijdelijke aard. Een gebroken man betaalde vervolgens de rekening en droop af, flapperende pruik en al.

Is er dan echt, echt helemaal niets goed over te zeggen?

Nee, het is niet alleen maar slecht. Ik had nog een onderwerp voor een blog nodig.

Remy
Copywriter. Speelt de verwoorde onschuld.

 

Relmerel

Het begint al twee uur voordat de zon opkomt en gaat met tussenpozen de hele dag door. Kenners omschrijven het als ‘prachtig fluitende en rollende zang’. Ik weet het niet, het klinkt meer als een doorgedraaide jazzmuzikant met een heel hoog blokfluitje. En de decibellen van een opstijgende straaljager.

Het volume dat zo’n beestje uit z’n longen weet te persen is ronduit bewonderenswaardig. Gekmakend ook, zo vlak naast je hoofdkussen. Tenminste, dat dacht ik toen ik na drie kwartier woelen het balkon op stommelde om te kijken waar de herrie vandaan kwam. Het bleek ruim vijftig meter van het slaapkamerraam. Daar zat ‘ie, tartend in het ochtendgloren op een hoge boomtak.

Waarom dat zo vroeg moet? Ze hebben erover nagedacht: vroeg in de ochtend is het vaak nog windstil en vochtig. Het geluid draagt dan lekker ver en gaat mooi gelijkmatig alle kanten op.

Waarvan akte.

Kijk, zo’n merel doet ook maar gewoon z’n werk. Die ‘prachtig fluitende en rollende zang’ is voor een zangvogel wat het opgelichte pootje is voor een hond: een manier om zijn territorium af te bakenen. Bovendien moet het vrouwtjes aantrekken. Daarin lijkt deze merel tot dusver niet geslaagd, en het is al begin mei. Misschien houden merelvrouwen niet van jazz.

Zo word ik dus al een aantal weken twee uur voor zonsopgang gewekt. Ik leg de schuld overigens bij een bepaalde fabrikant van consumentenelektronica uit Eindhoven. Die vond het nodig om het geluid van een swingende merel in mijn Wake-up Light te verstoppen. Een deuntje dat zich inmiddels in mijn bioritme heeft verankerd. Probeer dan nog maar eens door een bronstig merelmannetje heen te slapen.

In de binnentuin waar mijn kantoor aan grenst zit er ook eentje. Een paartje zelfs. Andere merel, ander geluid, zelfde verhaal. ‘Schel alarm en zeer hoge andere roepen’, aldus de kenners. En daarmee hebben de kenners geen woord te veel gezegd. De afgelopen week klonk dat ‘schelle alarm’ zo vaak dat ze erin leken te blijven steken. Een bijzonder hoog en hard geluid waartegen enkelglas en concentratievermogen niet opgewassen zijn.

Ze deden het ook als er geen kat was, dus ik had eigenlijk al geconcludeerd dat deze merels niet helemaal spoorden. Herrie om niks. Relmerels.

Tot ik zag hoe ze een ekster aanvielen. Waarom werd me al snel duidelijk: die ekster ging ervandoor met een mereljong. De ekster pakte het kuiken, vloog er een stukje mee en werd dan aangevallen door beide ouders. Dan liet hij het inmiddels levenloze vogeltje achter en vluchtte een boom in, om het even later weer in z’n snavel te nemen. Dat ging zo een paar keer door tot de ekster met prooi en al de binnentuin had verlaten.

Vandaag staat het raam open en ik heb ze nog geen een keer gehoord. Die rotekster zal toch niet alle jongen hebben geroofd? Je staat er niet bij stil, maar in onze tuinen, sloten en parken vinden iedere dag de gruwelijkste veldslagen plaats. Jongen moeten worden beschermd, rovers weggejaagd, territoriums verdedigd. Gevechten op leven en dood.

En ik maar klagen over m’n gebrekkige nachtrust.

Remy
Copywriter. Speelt de verwoorde onschuld.